Sla het menu over en ga direct naar de content van deze pagina.

De leescrisis vraagt om een herwaardering van het boek in de klas

Opinie door Dick Naafs, voorzitter KVGO

Deze week kwamen de nieuwe PISA-cijfers naar buiten en opnieuw zijn ze slechter. Inmiddels haalt 39 procent van de Nederlandse 15-jarigen het minimale leesniveau niet. Bij het vorige onderzoek was dat 33 procent en in 2018 ging het nog om ongeveer een kwart. Bijna vier op de tien jongeren kunnen dus niet goed genoeg lezen om volwaardig mee te komen in het onderwijs en later in de samenleving.

Ik vind dat een bijzonder zorgwekkende ontwikkeling. Wie onvoldoende kan lezen, heeft daar immers niet alleen last van tijdens een toets Nederlands. Goed kunnen lezen is nodig om een opleiding te volgen, instructies op het werk te begrijpen, informatie van de overheid te beoordelen of een bijsluiter te lezen. Het is ook nodig om onderscheid te kunnen maken tussen betrouwbare informatie en onzin. Zeker in een wereld waarin jongeren dagelijks worden overspoeld met digitale informatie en waarin AI steeds meer teksten en beelden genereert, wordt het vermogen om geconcentreerd te lezen, informatie te begrijpen en daar kritisch over na te denken alleen maar belangrijker.

We weten bovendien al jaren dat de leesvaardigheid van Nederlandse jongeren achteruitgaat. Toch lukt het ons niet om die ontwikkeling te keren. Natuurlijk heeft dat niet één oorzaak en ik ga ook niet beweren dat we het probleem oplossen door iedere leerling morgen een stapel boeken te geven. Maar deze cijfers zijn inmiddels zo slecht dat we kritisch moeten durven kijken naar de manier waarop we het onderwijs de afgelopen jaren hebben ingericht. Daarbij hoort wat mij betreft ook de snelle digitalisering van het klaslokaal.

Digitale leermiddelen hebben het onderwijs veel gebracht en zullen daar een belangrijke rol blijven spelen. Maar misschien zijn we wel erg gemakkelijk gaan denken dat digitaal automatisch moderner en daarmee beter is. Tablets en laptops kwamen de klas in, lesmethodes werden digitaal en boeken verdwenen soms naar de achtergrond. Terwijl uit onderzoek al langer blijkt dat het wel degelijk verschil kan maken of we een tekst op papier of op een scherm lezen. Vooral bij langere en informatieve teksten en wanneer echt begrip nodig is, kan papier voordelen bieden.

Interessant is daarom wat er in Zweden gebeurt. Ook daar zijn de nieuwste PISA-resultaten slecht en is de leesvaardigheid verder gedaald. De Zweedse overheid heeft ondertussen bewust besloten om fysieke schoolboeken weer een grotere rol te geven en investeert daar sinds enkele jaren fors in. Het uitgangspunt is niet dat digitale middelen moeten verdwijnen, maar dat ze worden ingezet wanneer ze daadwerkelijk iets toevoegen aan het leren. Fysieke boeken, lezen en schrijven op papier krijgen daarnaast opnieuw nadrukkelijk ruimte. De Zweedse regering vatte die koers eerder kernachtig samen: meer leestijd en minder schermtijd.

Of die aanpak de leesvaardigheid in Zweden gaat verbeteren, weten we nog niet. Daarvoor is de koerswijziging te recent. Maar ik vind de gedachte erachter wel relevant voor Nederland. In plaats van te discussiëren over de vraag of onderwijs digitaal óf analoog moet zijn, zouden we veel vaker moeten vragen welk middel een kind op welk moment het beste helpt om te leren.

Daarbij moeten we het gedrukte boek niet te gemakkelijk als iets van vroeger beschouwen. Een boek heeft eigenschappen die juist in deze tijd waardevol zijn. Er zijn geen notificaties, hyperlinks of andere tabbladen die om aandacht vragen. Een leerling kan terugbladeren, aantekeningen maken en langere tijd bij dezelfde tekst blijven. Dat klinkt misschien weinig spectaculair, maar juist het geconcentreerd lezen en werkelijk doorgronden van langere teksten is essentieel om een goede lezer te worden.

Vanuit het KVGO hebben we hier eerder aandacht voor gevraagd. Natuurlijk vertegenwoordigen wij de grafische sector en geloven wij in de kracht van drukwerk. Maar het zou te gemakkelijk zijn om dit pleidooi daarom af te doen als een branche die voor haar eigen product opkomt. Daarvoor is het probleem inmiddels te groot. Als bijna vier op de tien jongeren het minimale leesniveau niet halen, hebben we er allemaal belang bij om te kijken naar alles wat kan bijdragen aan beter lezen.

Papier gaat de Nederlandse leescrisis niet in zijn eentje oplossen. Goed leesonderwijs, voldoende en goed opgeleide leraren, een rijke taalomgeving thuis en op school, bibliotheken en vooral veel lezen zijn minstens zo belangrijk. Maar het is vreemd om een middel waarvan onderzoek laat zien dat het juist bij geconcentreerd en diepgaand lezen voordelen kan bieden steeds verder naar de achtergrond te laten verdwijnen.

Daarom pleit ik ervoor om ook in Nederland opnieuw bewust te kijken naar de balans tussen digitaal en papier in het onderwijs. Niet vanuit nostalgie en ook niet als strijd tussen een boek en een beeldscherm. Laat scholen vooral gebruikmaken van de mogelijkheden die digitalisering en AI bieden, maar zorg er tegelijkertijd voor dat leerlingen toegang hebben tot goede fysieke schoolboeken en literatuur en dat het lezen van langere teksten op papier een vanzelfsprekend onderdeel van het onderwijs blijft.

Uiteindelijk gaat deze discussie niet over papier of digitaal. Het gaat erom dat onze kinderen goed leren lezen, begrijpen wat ze lezen en in staat zijn om informatie kritisch te beoordelen. Als bijna vier op de tien 15-jarigen daar onvoldoende toe in staat zijn, kunnen we niet volstaan met iedere drie jaar constateren dat de cijfers opnieuw zijn verslechterd. Dan moeten we ook bereid zijn om keuzes die we de afgelopen jaren hebben gemaakt opnieuw tegen het licht te houden.